Hoofdstuk 1

Terwijl Olivier Dunranker de metrohalte uitloopt komt een heerlijke ochtendzon hem tegemoet. Tussen alle hoge gebouwen door voelt de zon extra warm, wat hem in een nog betere bui brengt. Want vandaag is niet zomaar een dag. Vandaag is de dag dat hij om promotie gaat vragen. Vragen? Nee, eisen.

Bij de gedachte alleen al worden zijn handen wat zweterig. Al maakt hij zichzelf graag wijs dat dit komt door de ochtendzon in combinatie met het pak wat hij aanheeft. Terwijl Olivier het grote statige pand van Ornhem & Partner binnenloopt lacht hij vriendelijk naar de mensen bij de receptie. Hij komt hier inmiddels al zeven jaar bijna iedere dag vroeg in de ochtend. En gaat pas laat in de avond weg. Dan kun je maar beter goed bevriend zijn met de poortwachters, want daar wissel je nogal wat blikken mee uit.

In de lift kijkt Olivier dromerig naar zijn eigen weerspiegeling. Hij stelt zich voor hoe hij het kantoor van Ralf, zijn baas, binnen gaat lopen om het gesprek te starten. Natuurlijk heeft hij het thuis al tientallen keren voor de spiegel geoefend, maar het miste toch net wat pit. Net dat beslissende argument. Net die vuist op tafel. En er mocht niks missen. Olivier heeft hier al zeven jaar naartoe gewerkt. Zeven jaar geleden koos hij specifiek voor Desbloom. De grote, kosmopolitische stad. Weg van zijn dorpse leven. Op naar de corner office en de bijbehorende levensstijl. Weg van het alledaagse en op naar een glansrijke carrière. Weg van het familiebedrijf en op naar een internationaal conglomeraat. Want behalve Desbloom, wilde hij specifiek bij Ornhem & Partners werken. Dit was hét bedrijf voor strategische consultancy in dé stad. Als je het hier kon maken, dan kon je het overal maken. En hij zou het hier maken.

Het ping-geluid van de lift onderbreekt zijn gedachtes. Hij heeft de 23e etage bereikt. Dat ritje in de lift heeft hem nog meer vastberaden gemaakt: vandaag is de dag van promotie. Vandaag gaat hij de volgende stap zetten naar de top bij het bedrijf waar hij dat wil. In de stad waar hij het zal maken. De zwetende handen zijn inmiddels gebalde vuisten geworden en een voor hem opmerkelijk gevoel van daadkracht overvalt hem. Hij gaat nu direct als eerste actie deze dag het kantoor van Ralf binnenstormen om het gesprek over promotie te beginnen. En deze keer neemt hij geen genoegen met excuses dat de tijd niet rijp is. Of dat hij nog wat meer ervaring moet kweken. Of nog wat meer klanten moet binnenhalen. Nee, deze keer zou hij zich niet laten afschepen.

Terwijl hij met grote passen naar het kantoor van Ralf loopt vangt hij een glimp op van zichzelf in de weerspiegeling van één van de grote ruiten op de 23e etage. Olivier is namelijk niet groot. Maar zeker ook niet klein. Hij is niet smal, maar ook niet gezet. Hij heeft een spits gezicht en zwarte, golvende haren die hij naar achteren probeert te kammen. Zijn zwarte pak past goed, maar niet geweldig en zijn stropdas zit net strak genoeg. Het zweet breekt hem nu ook uit onder zijn oksels en op zijn rug. Want hoe kan de man die hij in de weerspiegelig ziet nou iets eisen van Ralf? Ralf met zijn perfecte pak en strak gekamde haren. Met zijn jaar-na-jaar promotie en weergaloze status binnen het bedrijf.

Olivier zijn binnenzak trilt. Zijn telefoon gaat over. Hij werpt een blik erop en ziet ‘pap’. Hij rolt met zijn ogen en klikt het gesprek weg. Hij klopt aan bij Ralf zijn majestueuze corner office.

“Ralf heb je even?” vraagt Olivier beleefd.

Ralf is aan de telefoon en gebaart dat Olivier binnen mag komen. Hij rondt het gesprek af en wendt zich tot Olivier, die net in de stoel ging zitten. Een beslissing waarvan hij baalt, want Ralf blijft staan, waardoor hij nu boven hem uit torent.

“Zeg het eens, meester!” Ralf is altijd nep-uitbundig met een veel te brede grijns.

“Nou ik wilde het over belangrijke zaken hebben. Ik werk hier inmiddels als zeven jaar en volgens mij heb ik mijn waarde echt wel bewezen. Dus dacht ik…”  Olivier onderbrak zichzelf want zijn telefoon rinkelde weer. Hij greep naar zijn borstzak en zag wederom dat het zijn vader was. Hij drukte gedecideerd weg.

“Als je moet opnemen dan kan dat, hè”

“Nee, dit kan wel wachten. Want ik wilde namelijk mijn toekomst binnen Ornhem & Partners met je bespreken”

“Nou jongen, vertel. Wat wilde je over je toekomst bespreken?”

Dit was de spreekwoordelijke opening waar Olivier al zeven jaar op wachtte. Dit was het moment. Maar zijn telefoon rinkelde weer. Hij pakte hem uit zijn zak om zijn telefoon helemaal uit te zetten. Maar deed dat niet. Zijn ogen bevroren, gefixeerd op het scherm: opa.

“Sorry, Ralf. Ik moet dit toch even opnemen.”

“Geen probleem, ga je gang”

Opa belde vrijwel nooit. Alleen als het echt urgent zou zijn en hij Olivier moest spreken.

“Hoi opa” nam Olivier twijfelend op.

“Jongen, hoe gaat het?” Klonk het ontspannen aan de andere kant van de lijn.

“Goed, ik ben op werk dus eigenlijk heb ik niet veel tijd” Olivier begon nu al nerveus richting het kantoor van Ralf te kijken, waar inmiddels een andere collega was binnengelopen om met Ralf te spreken.

“Snap ik helemaal, ik zal dit kort houden. Ik heb je thuis nodig en wil dat je direct komt.”

Opa klonk vriendelijk, doch gedecideerd. Maar thuis was niet bepaald om de hoek. Een treinrit van zo’n vijf uur en Olivier heeft werk te doen. En op deze praktische bezwaren na wil Olivier helemaal niet naar huis.

“Opa, dat kan niet zo maar natuurlijk. Zullen we anders vanavond even rustig bellen?” probeerde Olivier met een gemaakte glimlach – die opa toch niet kon zien – het gesprek te beëindigen.

“Jongen, ik heb je nu thuis nodig. Het spijt me om het je zo te vertellen, maar ik heb niet heel lang meer. Mijn longkanker is terug, inmiddels zit het overal. De vooruitzichten zijn niet goed en ik wil alles goed achterlaten. Daar heb ik jou ook bij nodig.”

Olivier hield een hand voor zijn mond en zei niets. Zijn ogen werden waterig, maar hij knipperde veelvuldig om te voorkomen dat een traan over zijn gezicht zou rollen.

“Ik bel je zo terug opa, is dat oké?”

“Oké”

Olivier hing op en staarde nog enige seconden naar zijn telefoon die in zijn trillende hand lag. Toen hij zich eenmaal bij elkaar raapte liep hij het kantoor van Ralf weer binnen, die inmiddels weer tijd had. Deze keer ging Olivier niet zitten.

“En? Gelukt aan de telefoon?”

“Ja, het was een klant die nog wat documenten nodig had” loog Olivier

“Jij hebt ook de enige klanten die in de ochtend werken” schaterde Ralf. “Maar goed, waar wilde je het over hebben?”

Olivier zijn zweet verdween. Zijn handen stopten met trillen en zijn ogen werden kurkdroog.

“Ik heb twee weken verlof nodig”

“Twee weken, dat is nogal wat. Wanneer denk je...”

“Nu ingaand. Vanaf vandaag twee weken. Ik heb privézaken om te regelen”

Ralf stapte dichterbij. “Olivier, je weet dat dit niet het bedrijf is waar we dit zo maar doen. We kunnen niet...”

“Ralf, dit was een mededeling, geen verzoek. Ik heb recht op die weken en daarom zet ik ze nu in. Mijn klanten informeer ik zelf en zal ik telefonisch bereikbaar voor blijven in geval van nood”

Ralf keek verward. “Oké. Ja, als dit iets is wat je wilt. En voor privéomstandigheden zei je?”

“Ja. Maar dat houd ik liever voor mezelf. Kun jij het in gang zetten dat het netjes in alle systemen komt? Dan zorg ik dat ik het afhandel met mijn klanten”

“Is goed. Succes de komende weken” stamelde een verbouwereerde Ralf.

Olivier liep kalm, met kleine passen het kantoor uit. Toen hij eenmaal bij zijn eigen werkplek aankwam en neerplofte realiseerde hij zich pas wat er net gebeurde. Rolf verbaal overmeesteren is niet veel mensen gegund. En hij kon zijn blijdschap nauwelijks onderdrukken dat het hem gelukt was. Die blijdschap verscheen zo snel al die kwam toen hij dacht aan het bericht wat opa hem gaf.

“Met Bart Dunranker” klonk het aan de andere kant van de lijn.

“Opa, met mij, Olivier”

“Dat was snel jongen!”

“Ik kom naar huis. Zo snel als mogelijk. We houden contact over wanneer ik exact aankom.”

“Geweldig jongen, ik kan niet wachten tot je komt.”